‘Emile Claus zocht de zon. Jenny Montigny vindt de zon én het leven’: vergeten impressioniste krijgt eerherstel in Gent
Ga terug naar het event
Aan het begin van de vorige eeuw schitterden de impressionistische werken van Jenny Montigny al in de salons van België en daarbuiten. Toch is zij mede dankzij het Museum voor Schone Kunsten in Gent nipt van de vergetelheid gered. Een terugkerend fenomeen: waar komt de (her)waardering van vrouwelijke kunstenaars vandaan?
Dit artikel is geschreven door Nina Dijkstra. Gepubliceerd op 14 oktober 2026, 03:00
“Weerhaakjes in een ogenschijnlijk poëtisch tafereel.” Dat is hoe medecurator Johan De Smet het kleine schilderijtje Een oktoberochtend in 1903 van Jenny Montigny (1875-1937) in een van de aan haar gewijde expositiezalen van MSK Gent beschrijft. Want wie verder kijkt dan de vrouw en kinderen die in zachte kleuren zijn afgebeeld op een liefelijk landgoed, ziet dat diezelfde vrouw hoogzwanger de kruiwagen voortduwt terwijl de kinderen om haar heen jubelen.
De aandacht van Montigny voor de dagelijkse realiteit aan het begin van de 20ste eeuw is een rode draad door de negen expositiezalen van het MSK: het land bewerken, de borst geven én gewonde soldaten verzorgen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het ene afgebeeld met impressionistische penseelstreken, het andere met etsen zo ruw als het onderwerp zelf.
Het zijn de schitteringen van de zon op het platteland en het water rond de Leiestreek waarom Montigny dikwijls in één adem wordt genoemd met haar meester Emile Claus: medeoprichter van de kunstenaarsgroep Vie et Lumière en voornaamste vertegenwoordiger van het Belgische luminisme. Dat is desondanks geen reden om in zijn schaduw te verdwijnen. Of, in de woorden van kunstcriticus Frédéric De Smet in 1932: “Emile Claus zocht de zon. Jenny Montigny vindt de zon én het leven.”
Op twee vingers
Toch is het die schaduwpositie die Montigny over de decennia onder het brede publiek heeft verkregen. Hoe kan het dat de ruim 230 werken van de impressionistische kunstenares pas een eeuw later in de schijnwerpers worden gezet? “Als je kijkt naar bijvoorbeeld muziek en de verdere cultuursector is er een bredere beweging”, vertelt curator De Smet. “De kunstwereld is veranderlijk: elke generatie zet zich af tegenover de vorige. Gelukkig zien we nu dat verloren werk weer terecht zijn plaats krijgt.”
“Daarnaast waren vrouwelijke kunstcritici in haar tijd niet op één hand, maar op twee vingers te tellen”, vertelt De Smet. De mannelijke critici waren niet alleen talrijker, maar ook niet altijd even enthousiast over vrouwen, vult hoogleraar kunstwetenschappen (UGent) en medecurator Marjan Sterckx aan. “Maar vooral na de Tweede Wereldoorlog zijn veel vrouwelijke kunstenaars uit de kunstgeschiedenis geschreven.”
En inderdaad: werken van Camille Claudel (1864-1943) werden weggeschreven als “assistentenwerk” van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin, schilderijen van Judith Leyster (1609-1660) werden verkocht onder de naam van de Nederlandse schilder Frans Hals en foto’s van de Spaanse Burgeroorlog werden gepubliceerd onder de naam van Robert Capa, niet onder die van Gerda Taro (1910-1937).
Inhaalbeweging
Jansons History of Art uit 1962 is allicht het klapstuk waarin vrouwen enkel schitterden door afwezigheid. Het voorheen toonaangevende handboek, dat 1.184 bladzijden telt, kende geen enkele vrouw. “Het feminisme was enkel een tijdelijk fenomeen”, aldus Janson jr. Waarom zou je daarvoor een heel boek aanpassen? Sterckx: “Dat idee passeert gelukkig niet meer: niemand kan nog een kunstgeschiedenishandboek uitbrengen waarin geen of heel weinig vrouwen staan.”
“In die zin is er echt wel een inhaalbeweging gaande”, vervolgt Sterckx. “In het onderzoek is dat al sinds de jaren 70 gaande, toen het essay van Linda Nochlin het startschot vormde.” In Why Have There Been No Great Women Artists? rekent Nochlin af met het idee dat de witte, westerse man nu eenmaal bepaalt wat goede kunst is. Sterckx: “In het onderzoek is de erkenning van vrouwen een evidentie. Het zijn tentoonstellingen als deze die de volgende stap vormen om een breed publiek ervan te overtuigen dat er veel talentvolle vrouwelijke kunstenaars zijn geweest en dat hun werk het net zo goed waard is om getoond te worden.”
“De voorbije decennia zijn er sporadisch initiatieven geweest”, vertelt Sterckx. “De afgelopen vijf à tien jaar, ongeveer gelijktijdig met de #MeToo-beweging, is de aandacht voor vrouwen ook in de kunstwereld exponentieel toegenomen.”
Trein vertrokken
Een blik op de expositiezalen volstaat: van Onvergetelijk, eerder dit jaar in het MSK, waarin de werken van meer dan veertig vrouwelijke kunstenaars uit de Lage Landen tussen 1600 en 1750 werden tentoongesteld, tot The Milk of Dreams tijdens de Biënnale van Venetië in 2022, waarin meer dan 85 procent van de 214 deelnemende kunstenaars vrouw was.
“Het dubbele aan dergelijke groepstentoonstellingen is dat je niet anders kunt dan benoemen dat het om vrouwen gaat”, nuanceert Sterckx. “Bij een monografische tentoonstelling, zoals deze van Montigny, zou het niet nodig moeten zijn om het vrouw-zijn te thematiseren.” De tentoonstelling is gewijd aan de kunstenaar. Vanwege de kwaliteit. Vanwege de artistieke keuzes. En oh ja, ze is toevallig óók vrouw.
Montigny in het MSK Gent, Yayoi Kusama in het Stedelijk Museum Amsterdam, Frida Kahlo in Tate Modern in Londen en Lorna Simpson bij de Pinault-collectie in Venetië: “De trein is vertrokken en die is niet meer te stoppen”, aldus Sterckx. “Maar zolang we het vrouw-zijn moeten thematiseren, zijn we er nog niet. Een mooi neveneffect van tentoonstellingen is dat werken zo naar boven komen en onderzocht worden, waarna ze vaker worden geëxposeerd.” En dat is uiteindelijk het streven: dat vrouwen onderdeel zijn van een enkel verhaal. Zonder voetnoot, zonder aparte zaal.
Lees het artikel op www.demorgen.be